In een recente uitspraak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam een vordering afgewezen die was ingesteld door een appartementseigenaar, [persoon A], tegen de vorige eigenaar, [persoon B]. Het geschil ging over een vermeend verborgen gebrek dat lekkage veroorzaakte in het appartement. De rechter oordeelde dat [persoon A] onvoldoende bewijs had geleverd om zijn vordering te onderbouwen.
[persoon A] had het appartement in 2023 gekocht van [persoon B]. Kort na de aankoop ontdekte hij een lekkage, die volgens hem was veroorzaakt door een ongeoorloofde aansluiting van een leiding in de badkamer, iets waarvoor de VvE verantwoordelijk zou zijn. De VvE had inderdaad opdracht gegeven om de lekkage te herstellen, maar rekende de kosten hiervoor aan [persoon A].
Standpunten van partijen
[persoon A] stelde dat de lekkage een verborgen gebrek was en dat het appartement niet voldeed aan de verwachtingen die hij op basis van de koopovereenkomst mocht hebben. Hij eiste dat [persoon B] de gemaakte kosten van meer dan €23.000 zou vergoeden. [persoon B] betwistte echter dat er sprake was van een verborgen gebrek en wees erop dat hij tijdens zijn eigenaarschap geen problemen had ondervonden. Bovendien betrok hij [persoon D], de eigenaar vóór hem, in de zaak.
Bewijsvoering en oordeel van de rechter
De rechter oordeelde dat [persoon A] niet voldoende had gesteld over de oorzaak van de lekkage. Hij baseerde zijn vordering op de mededelingen van een loodgieter en de technisch beheerder van de VvE, maar leverde geen verklaringen of verdere onderbouwing van hun bevindingen. Zonder deze onderbouwing kon de rechter niet vaststellen dat er sprake was van non-conformiteit van het appartement.
Vrijwaring en ondervrijwaring
Omdat de hoofdvordering van [persoon A] werd afgewezen, hadden [persoon B] en [persoon D] geen belang meer bij hun vorderingen in vrijwaring en ondervrijwaring. De rechter wees deze vorderingen dan ook af.
Proceskostenveroordeling
De rechter veroordeelde [persoon A] tot het betalen van de proceskosten aan [persoon B], die in totaal bijna €2.600 bedroegen. Ook [persoon B] en [persoon D] werden veroordeeld tot het betalen van proceskosten in de vrijwarings- en ondervrijwaringszaken.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBROT:2026:6926
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




