In een zaak voor de Raad van State stond het gebruik van een woning in Rotterdam voor kamerbewoning centraal. De eigenaresse van de woning, samen met de Vereniging van Eigenaars (VvE) en twintig omwonenden, maakte bezwaar tegen de verleende vergunning voor kamerbewoning. Ze ervoer overlast door de huurders en vroeg de gemeente Rotterdam om de vergunning in te trekken. De gemeente zag echter geen reden voor intrekking omdat er geen meldingen van overlast waren geregistreerd.
Vergunning voor kamerbewoning verleend
Op 11 mei 2022 verleende het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een vergunning voor kamerbewoning aan de eigenaar van de woning aan de [locatie 1]. De eigenaresse, [appellante], diende op 14 november 2023 een verzoek in om deze vergunning in te trekken wegens overlast. Het college wees dit verzoek af op 15 januari 2024, omdat er geen juridische grondslag was voor intrekking. Er waren geen meldingen van overlast bekend bij de gemeente, de veiligheidscoördinator, en er was slechts één melding bij de politie die niet kon worden bevestigd.
Bezwaar en beroep door eigenaresse
[Appellante] stelde bezwaar in namens de VvE en omwonenden, maar het college verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk vanwege niet-rechtsgeldige machtigingen. De rechtbank Rotterdam verklaarde vervolgens het beroep van [appellante] ongegrond, omdat er geen bewijs was dat de kamerbewoning het woonmilieu aantastte. [Appellante] ging in hoger beroep bij de Raad van State, bewerend dat ze namens de VvE en de omwonenden handelde met machtigingen en notulen van een VvE-vergadering als bewijs.
Raad van State en rechtsgeldigheid van machtigingen
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van [appellante] namens de VvE en omwonenden niet-ontvankelijk was. Er was geen rechtsgeldig intern besluit van de VvE, omdat niet alle leden op de vergadering waren opgeroepen en er tegengestelde belangen bestonden. Voor de omwonenden ontbrak het aan identiteitsgegevens, waardoor de vertegenwoordiging niet kon worden vastgesteld.
Geen intrekking van de kamerbewoningsvergunning
Wat betreft het hoger beroep van [appellante] zelf, bracht zij geen nieuwe argumenten in die de eerdere oordelen van de rechtbank weerlegden. De Raad van State bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat er onvoldoende gronden waren om de kamerbewoningsvergunning in te trekken. Overbewoning, geconstateerd na het besluit op bezwaar, kon niet in deze procedure worden betrokken. Het college gaf wel aan de situatie opnieuw te bekijken vanwege deze overbewoning.
Uitspraak en bevestiging rechtbank
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van [appellante] ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het beroep van [appellante] werd ongegrond verklaard, en er werden geen proceskosten aan het college opgelegd.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:2590
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




