De zaak in het kort
In deze zaak draait het om een beslissing van een Vereniging van Eigenaars (VvE) die toestemming heeft gegeven voor een tijdelijke wijziging in het gebruik van een appartementsrecht. De onder-VvE en een individuele eigenaar, [eiser 2], zijn het hier niet mee eens en hebben de kantonrechter verzocht om het besluit te vernietigen. Zij stellen dat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid zoals vereist door artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek. [eiser 2] wordt echter niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en de vorderingen van de onder-VvE worden afgewezen.
Het verloop van het proces en de feiten
De zaak betreft een complex dat in een notariële akte van 27 december 2000 is gesplitst in zes appartementsrechten. [bedrijf 1] is eigenaar van een van deze appartementsrechten met een bestemming voor winkelruimten. [bedrijf 2], als huurster van [bedrijf 1], exploiteert sinds 1 augustus 2025 een horecavoorziening op deze locatie. Op 5 maart 2026 heeft de VvE besloten om toestemming te verlenen voor de tijdelijke wijziging van het gebruik van deze locatie. Dit besluit werd genomen met een meerderheid van stemmen (1.704 voor en 1.076 tegen). De onder-VvE en [eiser 2] hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de kantonrechter verzocht om het besluit te vernietigen.
Tijdens de zitting werden de standpunten van beide partijen besproken. De onder-VvE stelde dat de exploitatie van het restaurant overlast veroorzaakt en dat het besluit tot wijziging van het gebruik daarom vernietigd moet worden. De VvE betwistte deze stelling en wees erop dat de vermeende overlast niet verder onderbouwd was door de onder-VvE. Bovendien werd vastgesteld dat in de ondersplitsingsakte van 27 december 2000, waarin de onder-VvE is opgericht, was opgenomen dat in de winkelruimte geen horeca is toegestaan. Deze bepaling is echter niet opgenomen in de splitsingsakte, waardoor het in deze procedure niet aan de orde kan komen.
De beslissing van de rechtbank
De kantonrechter heeft [eiser 2] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, omdat een beroep op de redelijkheid en billijkheid alleen betrekking heeft op de interne verhoudingen binnen de VvE en niet op externe verhoudingen. Aangezien [eiser 2] een eigenaar is binnen de onder-VvE, kan hij geen beroep doen op deze beginselen ten aanzien van een besluit van de VvE.
De kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van een zodanige vorm van overlast dat het besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De onder-VvE had geen voldoende onderbouwing gegeven van de gestelde overlast, en een van de aanwezige bewoners gaf zelfs aan geen overlast te ondervinden. De rechter vond het belangrijk dat [bedrijf 2] maatregelen zou nemen om overlast te voorkomen, maar zag geen reden om het besluit te vernietigen.
Vanwege de gang van zaken, waarin de bewoners van de onder-VvE pas laat geïnformeerd werden over de exploitatievergunning, besloot de kantonrechter wel dat de proceskosten tussen de partijen gecompenseerd moesten worden. Beide partijen dragen hun eigen kosten.
In het vonnis benadrukt de kantonrechter dat de VvE met een volstrekte meerderheid het besluit tot tijdelijke wijziging heeft genomen en dat dit besluit niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het verzoek van de onder-VvE om het besluit te vernietigen wordt afgewezen. De uitspraak werd mondeling gedaan tijdens een zitting en vervolgens schriftelijk vastgelegd door de kantonrechter.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




