In een recent kort geding bij de Rechtbank Den Haag stond de levering van een appartementsrecht centraal. Partijen, aangeduid als [partij A] en [partij B], waren verwikkeld in een conflict over de levering van een appartementsrecht dat [partij B] wilde kopen van [partij A]. De rechtbank oordeelde dat [partij B] alsnog moest meewerken aan de levering, omdat het opschortingsrecht niet meer van toepassing was.
Achtergrond van het geschil
[Partij A] was eigenaar van een pand dat in 2022 werd gesplitst in verschillende appartementsrechten. [Partij B] wilde een van deze appartementsrechten kopen, maar er ontstond een geschil over de voorwaarden van de koopovereenkomst. De rechtbank had eerder bepaald dat een koopovereenkomst tot stand was gekomen, maar [partij B] beriep zich op een opschortingsrecht vanwege geschillen over onder andere huurovereenkomsten en de levering van de tuinpercelen.
Standpunten van partijen
- [Partij A]: Voerde aan dat het appartementsrecht vrij van huur en gebruik kon worden geleverd en dat [partij B] daarom moest meewerken aan de levering.
- [Partij B]: Beriep zich op een opschortingsrecht omdat het appartementsrecht niet vrij van huur zou zijn en omdat de tuinpercelen eveneens geleverd moesten worden.
Oordeel van de rechter
De voorzieningenrechter oordeelde dat [partij B] niet langer een opschortingsrecht kon inroepen. [Partij A] had voldoende aannemelijk gemaakt dat het appartementsrecht vrij van huur en gebruik geleverd zou worden. Daarnaast was het niet aannemelijk dat de tuinpercelen onderdeel uitmaakten van de koopovereenkomst. De rechter achtte de levering van het appartementsrecht binnen twee maanden redelijk en legde een dwangsom op voor elke dag dat [partij B] zou nalaten mee te werken.
Betekenis voor de VvE
De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke afspraken in koopovereenkomsten en de rol van de splitsingsakte en de VvE. Het geschil raakte aan de rechten van appartementseigenaren en de gemeenschappelijke delen, zoals bepaald in de splitsingsakte.
Proceskosten
De rechter veroordeelde [partij B] tot het betalen van de proceskosten, zowel in conventie als in reconventie, omdat hij in het ongelijk was gesteld. De kosten werden begroot op een totaal van € 1.819,02 in conventie en € 736,50 in reconventie.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2026:15602
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




