De zaak in het kort
In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Den Haag, spelen [verzoeker 1] en [verweerder] een centrale rol als leden van een Vereniging van Eigenaren (VvE) met twee appartementsrechten: een pakhuis en een bovenwoning. [verweerder] heeft in 2008 een dakterras gerealiseerd op het dak van het pakhuis, met toestemming van de toenmalige eigenaar [rechtsvoorganger]. Hij wil nu dat het gebruik van dit dakterras exclusief aan zijn bovenwoning wordt toegewezen in de splitsingsakte, zodat hij het pand inclusief dakterras kan verkopen. De kantonrechter heeft zijn verzoek al toegewezen en het hof bevestigt dit oordeel.
Het verloop van het proces en de feiten
Het proces in hoger beroep begon met een beroepschrift van [verzoeker 1], ingediend op 27 augustus 2025, waarin hij bezwaar maakte tegen de eerdere beschikking van de kantonrechter. [verweerder] diende een verweerschrift in met bijlagen. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 februari 2026 bespraken beide partijen hun standpunten en dienden aanvullende producties in.
De feiten zijn als volgt: [verzoeker 1] en [verweerder] zijn eigenaren van respectievelijk een pakhuis en een bovenwoning die samen een VvE vormen. Het dakterras, gelegen op het pakhuis, is in 2008 door [verweerder] aangelegd nadat hij met [rechtsvoorganger] had afgesproken het bestaande puntdak te vervangen door een plat dak. Sindsdien wordt het dakterras door [verweerder] gebruikt. [verweerder] wil de woning inclusief dakterras verkopen, maar [verzoeker 1] maakt hier bezwaar tegen.
Bij de rechtbank verzocht [verweerder] om een vervangende machtiging om de splitsingsakte te wijzigen, zodat het dakterras exclusief aan zijn woning wordt toegewezen. [verzoeker 1] vroeg de rechtbank om vast te stellen dat het dakterras een persoonlijk recht van [verweerder] was en dat het gebruiksrecht zou eindigen bij verkoop van de woning. De kantonrechter wees het verzoek van [verweerder] toe, en [verzoeker 1] werd in de proceskosten veroordeeld.
De beslissing van de rechtbank
In hoger beroep beoordeelt het hof de grieven van [verzoeker 1]. Het hof benadrukt dat gemeenschappelijke zaken, zoals het dak waarop het dakterras is gerealiseerd, in principe het gehele gebouw dienen en niet exclusief in bezit mogen worden genomen door ƩƩn appartementseigenaar. Het hof verwerpt de stelling van [verzoeker 1] dat het dakterras zonder redelijke grond aan [verweerder] wordt toegewezen. De ruimte waar het dakterras op is aangelegd, was nooit exclusief in gebruik door [verzoeker 1] of zijn rechtsvoorganger. Bovendien is het dakterras op instemming van [rechtsvoorganger] aangelegd en nooit toegankelijk geweest vanuit het pakhuis.
Het hof komt tot de conclusie dat [verzoeker 1] zich zonder redelijke grond verzet tegen de wijziging van de splitsingsakte. Het feit dat hij geen concrete plannen of rechten op het gebruik van het dak kan aantonen, maakt dat zijn bezwaar ongegrond is. Daarom bekrachtigt het hof de beschikking van de kantonrechter en veroordeelt [verzoeker 1] in de kosten van de hoger beroep procedure, begroot op ⬠3.131,-.
Het hof wijst ook het verzoek van [verzoeker 1] om een gebruiksvergoeding af, omdat er geen juridische grondslag is voor een winstdeling bij verkoop van de woning door [verweerder]. [verzoeker 1] heeft geen feiten aangedragen waaruit zou blijken dat hij verarmd is of dat de VvE is verarmd door de exclusieve toewijzing van het dakterras aan [verweerder]. Het hof concludeert dat het hoger beroep van [verzoeker 1] niet slaagt en bevestigt de oorspronkelijke beschikking.
Lees de originele uitspraak hier.
Disclaimer: Deze samenvatting is automatisch gegenereerd en kan daardoor fouten bevatten.
Raadpleeg altijd de originele uitspraak.




