In een zaak tussen Stichting [eiseres] en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag speelde een conflict over een dwangsom voor de illegale splitsing van een pand in appartementen zonder de noodzakelijke omgevingsvergunning. De rechtbank oordeelde dat de dwangsom terecht was opgelegd en ook terecht werd ingevorderd omdat de overtreding niet was beëindigd.
Illegale splitsing zonder vergunning
Op 22 januari 2021 ontdekte een toezichthouder dat er twee woningen aanwezig waren in een pand aan de [adres 2]. Naar aanleiding hiervan vroeg de Vereniging van Eigenaren (VvE) op 18 februari 2021 het college om handhavend op te treden. De VvE stelde dat de bouwkundige splitsing zonder toestemming van de VvE was uitgevoerd. Een naburige eigenaar diende een vergelijkbaar verzoek in, wijzend op strijdigheid met het bestemmingsplan.
Oplegging van de dwangsom
Op 30 april 2021 besloot het college een last onder dwangsom op te leggen. Eiseres moest de bouwkundige splitsing beëindigen vóór 1 juli 2021, anders zou er een dwangsom van € 5.000,- worden verbeurd. Eiseres ging in bezwaar, maar het college verklaarde dit op 8 februari 2022 ongegrond. Uit een inspectierapport van 16 mei 2022 bleek dat de overtreding niet was beëindigd, waarna het college besloot de dwangsom op 19 juli 2022 in te vorderen.
Rechterlijke beoordeling
De rechtbank oordeelde dat het college de last onder dwangsom terecht had opgelegd, aangezien de splitsing zonder de vereiste omgevingsvergunning in strijd was met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Eiseres werd als overtreder beschouwd, omdat zij de woning in eigendom had en de macht had de splitsing te beëindigen.
Daarnaast verwierp de rechtbank het argument van eiseres dat er geen sprake was van een overtreding omdat de woning voldeed aan de gemeentelijke indelingseisen. Ook was er volgens de rechtbank geen sprake van gewekt vertrouwen door gedogen van de splitsing, omdat het college de vorige eigenaar had gewaarschuwd.
Invordering van de dwangsom
De rechtbank achtte het invorderingsbesluit eveneens rechtmatig. Het inspectierapport van 16 mei 2022 bevestigde dat de overtreding niet was beëindigd, wat de invordering van de dwangsom rechtvaardigde. Er waren geen bijzondere omstandigheden die afdoening van de invordering rechtvaardigden, en de invordering werd als evenredig beoordeeld.
Beslissing en hoger beroep
De rechtbank verklaarde de beroepen van eiseres ongegrond, waardoor de besluiten van het college in stand bleven. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en het door eiseres betaalde griffierecht werd niet gerestitueerd. Eiseres kan binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBDHA:2026:6617
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




