In een recente uitspraak van de rechtbank Overijssel stond een conflict centraal tussen een Vereniging van Eigenaren (VvE) en twee bungalowbezitters, hierna [gedaagde 1] en [gedaagde 2], op een bungalowpark. De vraag was of deze niet-leden van de VvE toch verplicht waren om bij te dragen aan het beheer en onderhoud van gemeenschappelijke voorzieningen op het park. De rechtbank besliste dat zij inderdaad een parkbijdrage moeten betalen, hoewel er aftrek plaatsvindt voor eigen tuinonderhoud en zonder de kosten voor VvE-lidmaatschap.
Verloop van de procedure
De VvE startte de procedure met een dagvaarding waarin zij de bungalowbezitters wilde verplichten tot het betalen van de parkbijdrage. De gedaagden voerden aan dat hun niet-lidmaatschap hen zou vrijwaren van deze verplichting. Tijdens een eerdere zitting op 17 februari 2026 wees de kantonrechter erop dat ook niet-leden een bijdrage moeten leveren aangezien alle eigenaren gebruikmaken van de voorzieningen en infrastructuur op het park.
Argumenten van de gedaagden
[Gedaagde 1] en [gedaagde 2] argumenteerden dat zij zelf het tuinonderhoud rondom hun bungalows verzorgden. Daarom zou dit in mindering moeten worden gebracht op de parkbijdrage. Verder benadrukten zij dat zij tot een minderheid behoren die permanent op het park woont, wat hen in een uitzonderingspositie plaatst. Zij wezen erop dat zij geen inspraak hebben in VvE-besluiten, juist omdat zij geen lid zijn.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verplicht zijn een jaarlijkse parkbijdrage te betalen, gelijk aan het bedrag dat andere eigenaren betalen, maar met aftrek voor eigen tuinonderhoud en zonder de lidmaatschapskosten van de VvE. Voor de jaren 2024 en 2025 is de bijdrage vastgesteld op € 965,97 en € 988,47 per jaar respectievelijk, met een totaal van € 1.954,44 voor beide jaren per gedaagde.
Financiële consequenties voor de gedaagden
Naast de parkbijdrage moeten de gedaagden ook wettelijke rente betalen vanaf dertig dagen na de factuurdata, vanwege te late betalingen. Zij werden tevens veroordeeld tot het betalen van buitengerechtelijke incassokosten van € 354,73 en de proceskosten, die per gedaagde € 659,45 bedroegen. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de gedaagden onmiddellijk moeten betalen, zelfs als zij in hoger beroep gaan.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBOVE:2026:2784
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




