In een recent geschil voor de rechtbank Rotterdam stond de vraag centraal of een houten vloer in een bovenliggend appartement, die geluidsoverlast veroorzaakte, in strijd was met de VvE-regels. De eiseres, wonend op de begane grond van een pand uit 1896, klaagde dat de vloer geluidsoverlast gaf en eiste aanpassing. De rechtbank besliste echter dat de houten vloer niet in strijd was met het modelreglement van de VvE en wees de vorderingen van de eiseres af.
Geschil over houten vloer en geluidsoverlast
Het conflict ontstond toen de eiseres overlast ervoer van de houten vloer in het bovenliggende appartement, dat eigendom is van de gedaagden. Deze vloer, gelegd in 2004, zou volgens de eiseres in strijd zijn met het splitsingsreglement dat geluidsoverlast moet tegengaan. Ze eiste dat de vloer werd aangepast aan de NEN 1070-norm voor geluidsdemping.
Aanleiding en achtergrond van het conflict
Het pand in Rotterdam werd in 2004 gesplitst in appartementen. De eiseres woont op de begane grond, terwijl de gedaagden hun appartement verhuren. De houten vloer werd door een vorige eigenaar geplaatst, maar de eiseres stelde dat de vloer geluidsproblemen veroorzaakte en eiste dat de gedaagden deze zouden vervangen.
De juridische vraag en argumenten
De rechtbank moest beoordelen of de houten vloer in strijd was met het modelreglement van de VvE. Het reglement verbiedt niet expliciet houten vloeren, maar vereist dat er geen onredelijke hinder ontstaat. De eiseres had in het verleden al een kort geding aangespannen zonder succes en wilde nu een bindende uitspraak van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een overtreding van het modelreglement. Het reglement stelt geen eisen aan bestaande vloeren en de gedaagden hadden de vloer niet zelf aangebracht. Bovendien vond de rechtbank dat de eiseres onvoldoende bewijs had geleverd van onredelijke hinder of geluidsoverlast.
De geluidsmetingen van de eiseres baseerden zich op nieuwbouwnormen die niet van toepassing zijn op het oude pand. Hierdoor kon de rechtbank geen overtreding vaststellen.
Uitspraak en proceskosten
Uiteindelijk wees de rechtbank alle vorderingen van de eiseres af en veroordeelde haar tot betaling van de proceskosten, geraamd op € 2.438,00. De rechtbank adviseerde de partijen om buiten de rechtszaal tot een oplossing te komen.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBROT:2025:5930
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




