In deze zaak stond de Vereniging van Eigenaars (VvE) van een pand in Amsterdam tegenover Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. (NN), de verzekeraar van het aannemingsbedrijf Immo Onderhoud B.V. De VvE eiste dat NN dekking zou verlenen onder de Construction All Risk (CAR) verzekering voor schade die was ontstaan door de instorting van het achterhuis van het pand tijdens funderingsherstelwerkzaamheden. De rechtbank oordeelde echter dat er geen dekking was, omdat de aannemer niet volgens het advies van de constructeur had gehandeld. De VvE werd veroordeeld tot het betalen van de proceskosten.
Funderingsherstel leidde tot instorting achterhuis
De VvE vertegenwoordigde de eigenaren van twee appartementen in een pand dat zowel een voor- als achterhuis had. Het pand onderging funderingsherstelwerkzaamheden en de beganegrondeigenaren wilden de kelder en een uitbouw uitbreiden. De VvE had het aannemingsbedrijf Immo ingehuurd voor deze werkzaamheden. Immo was verzekerd bij NN onder een CAR-verzekering, die dekking bood voor werkzaamheden aan dragende constructies, mits deze conform de adviezen van een deskundige constructeur werden uitgevoerd.
Waarom was er geen dekking onder de CAR-verzekering?
Op 16 november 2020 begon Immo met de werkzaamheden. Op 1 mei 2021 stortte het achterhuis in tijdens het graven voor de kelderuitbreiding. Onderzoeken door verschillende experts, waaronder Adviesbureau Hagema en McLarens, werden uitgevoerd. Op 3 juli 2022 liet NN weten dat er geen dekking was onder de polis omdat Immo zich niet aan het advies van de constructeur had gehouden. Het advies had namelijk het plaatsen van een tafelconstructie vóór de graafwerkzaamheden voorgeschreven, wat niet was gebeurd. Immo ging op 16 augustus 2022 failliet.
Standpunten van partijen en oordeel rechtbank
De VvE betoogde dat de werkzaamheden naast de fundering plaatsvonden en dat er geen directe aanpassingen aan de dragende constructies waren, en dat daarom artikel 1.2.2 van de polisvoorwaarden niet van toepassing was. Verder stelde de VvE dat de dekking bevestigd was door NN voordat de werkzaamheden begonnen.
NN voerde aan dat, hoewel het advies van de constructeur geen specifieke volgorde voor de werkzaamheden had voorgeschreven, het vanuit bouwkundig inzicht vanzelfsprekend was dat de tafelconstructie eerst geplaatst moest worden. NN ondersteunde hun standpunt met deskundigenrapporten die dit bevestigden.
De rechtbank oordeelde dat de polisvoorwaarden objectief moesten worden uitgelegd en dat de werkzaamheden aan de dragende constructies, zoals funderingsherstel en graafwerkzaamheden, onder artikel 1.2.2 vielen. De rechtbank benadrukte dat het niet alleen belangrijk was dat een advies van een constructeur aanwezig was, maar dat dit advies ook daadwerkelijk gevolgd moest worden om dekking te verkrijgen. Omdat Immo het advies van de constructeur niet had opgevolgd, was er geen dekking onder de polis.
Vertrouwen op bevestiging door verzekeraar niet voldoende
De rechtbank verwierp ook het argument van de VvE dat zij op de bevestiging van dekking door NN mocht vertrouwen. De initiële bevestiging betrof alleen de aanvangsdekking en was geen garantie dat dekking zou blijven bestaan als de werkzaamheden niet volgens de constructeursadviezen werden uitgevoerd.
Tot slot veroordeelde de rechtbank de VvE tot het betalen van de proceskosten van NN, die werden begroot op € 4.215,00, inclusief griffierecht, advocaatkosten en nakosten. De VvE diende deze kosten binnen veertien dagen na aanschrijving te betalen, op straffe van verdere kosten bij niet-tijdige betaling. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RBAMS:2025:10670
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.




