De Vereniging van Eigenaren (VvE) van Klapwijkse Pier 4 en 5 stond tegenover het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland in een zaak over geluidsoverlast. De VvE wilde dat het college maatregelen nam tegen geluidsoverlast van verkeer op de Klapwijkseweg. Het college weigerde dat, en de VvE ging daarop in beroep bij de Raad van State. De VvE verloor uiteindelijk de zaak omdat er geen juridische basis was voor handhaving.
Geluidsoverlast bij Klapwijkse Pier
De appartementencomplexen aan Klapwijkse Pier 4 en 5 liggen nabij de Klapwijkseweg, een provinciale weg. Bij de bouw werd een ontheffing verleend voor een hogere geluidswaarde van 57 dB. Geluidmetingen in augustus 2021 toonden echter aan dat de geluidsbelasting inmiddels gemiddeld 62 dB was, met pieken boven de 80 dB. De VvE vroeg in april 2023 om maatregelen tegen deze geluidsoverlast.
Afwijzing door het college
Op 13 juni 2023 wees het college het verzoek van de VvE af. Het college stelde dat de Wet geluidhinder geen basis biedt voor handhaving. Ook het bezwaar van de VvE werd ongegrond verklaard. De VvE voerde in beroep aan dat veranderde verkeerssituaties, zoals nieuwbouwplannen en toegenomen verkeer, wel een basis voor handhaving zouden moeten vormen.
Beoordeling door de Raad van State
De Raad van State onderzocht of er een juridische basis was voor handhaving door het college. De Raad stelde dat de Wet geluidhinder geen overtreding betrof die handhaving rechtvaardigt. De normen uit de wet zijn bedoeld voor ruimtelijke besluiten, niet voor handhaving tegen geluidsoverlast door verkeer. Ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel bood volgens de Raad geen grondslag voor handhaving.
Argument van de omgevingsvergunning
De VvE betoogde verder dat de overschrijding van de in de omgevingsvergunning genoemde geluidswaarde een basis voor handhaving kon vormen. De Raad van State oordeelde echter dat de geluidsnormen bij de bouw waren gewaarborgd en de vergunning dus geen zelfstandige handhavingsgrond bood.
Geen grondslag in de Omgevingswet
De VvE verwees naar de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking trad, als mogelijke grond voor handhaving. De Raad van State verwierp dit argument, omdat het handhavingsverzoek dateerde van vóór de inwerkingtreding van deze wet.
De Raad van State concludeerde dat het beroep van de VvE ongegrond was. Het college had terecht het verzoek afgewezen en hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Vergelijkbare uitspraken
Bron
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:2953
Lees de originele uitspraak op Rechtspraak.nl
Deze samenvatting is met zorg samengesteld op basis van de oorspronkelijke uitspraak. Wilt u deze uitspraak gebruiken ter onderbouwing van een standpunt, procedure of besluit, raadpleeg dan altijd de volledige originele uitspraak.



